3 | GEN 1:3 | God sprak: Daar zij licht. En er was licht. |
4 | GEN 1:4 | En God zag, dat het licht goed was. Nu scheidde God het licht van de duisternis; |
6 | GEN 1:6 | God sprak: Er zij een uitspansel tussen de wateren, om de wateren van elkander te scheiden. Zo geschiedde. |
10 | GEN 1:10 | Het droge noemde God aarde, het saamgevloeide water noemde Hij zee. En God zag, dat het goed was. |
12 | GEN 1:12 | De aarde deed groene planten ontspruiten, zaaddragend gewas, en bomen, die zaadvruchten dragen, elk naar zijn soort. En God zag, dat het goed was. |
14 | GEN 1:14 | God sprak: Er moeten lichten komen aan het hemelgewelf, om de dag en de nacht van elkaar te scheiden; zij moeten ook tot tekenen dienen voor vaste tijden, dagen en jaren; |
18 | GEN 1:18 | om te heersen over de dag en de nacht, en om licht en duisternis van elkander te scheiden. En God zag, dat het goed was. |
21 | GEN 1:21 | Toen schiep God de grote zeegedrochten met al het levend gewemel, waarvan het water krioelt, elk naar zijn soort; en al de verschillende soorten van gevleugelde dieren. En God zag, dat het goed was. |
25 | GEN 1:25 | God maakte de verschillende soorten van wilde en tamme dieren met al wat over de aarde kruipt. En God zag, dat het goed was. |
27 | GEN 1:27 | En God schiep den mens als zijn beeld. Als het beeld van God schiep Hij hem; Man en vrouw schiep Hij hen. |
31 | GEN 1:31 | En God zag dat alles, wat Hij gemaakt had, zeer goed was. Weer werd het avond en morgen: de zesde dag. |
33 | GEN 2:2 | En toen God op de zevende dag het werk had voltooid, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij had gedaan. |
39 | GEN 2:8 | Nu plantte Jahweh God een tuin in Eden, in het oosten, en plaatste daarin den mens, dien Hij gemaakt had. |
41 | GEN 2:10 | In Eden ontsprong een rivier, die de tuin bevloeide, en zich verderop in vier takken splitste. |
45 | GEN 2:14 | De derde stroom heet de Tigris, en loopt ten oosten van Assjoer. De vierde is de Eufraat. |
46 | GEN 2:15 | Daarop plaatste Jahweh God den mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te bewaken. |
47 | GEN 2:16 | En Jahweh God gaf den mens het volgend gebod: Van alle bomen uit de tuin moogt ge eten; |
49 | GEN 2:18 | En Jahweh God sprak: Het is niet goed voor den mens, dat hij alleen blijft. Ik zal dus een hulp voor hem maken, die hem past. |
54 | GEN 2:23 | Toen sprak de mens: Deze is eindelijk been van mijn gebeente En vlees van mijn vlees. Mannin zal zij heten, Omdat zij van den man is genomen. |
64 | GEN 3:8 | En toen zij Jahweh God in de koelte van de middag in de tuin hoorden wandelen, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor Jahweh God tussen de bomen van de tuin. |
72 | GEN 3:16 | En tot de vrouw sprak Hij: De lasten uwer zwangerschap zal Ik verzwaren, In smarten zult ge kinderen baren; Toch zult ge naar uw man verlangen, En hij zal over u heersen. |
73 | GEN 3:17 | En Hij sprak tot den mens: Omdat ge naar uw vrouw hebt geluisterd, En van de boom hebt gegeten, waarvan Ik u verbood te eten; Is om u de aardbodem vervloekt, Alleen door levenslang zwoegen zult ge er van eten. |
75 | GEN 3:19 | In het zweet van uw aanschijn zult gij uw brood eten, Totdat ge terugkeert tot de grond, waaruit ge genomen zijt. Want ge zijt stof, En tot stof keert ge terug! |
76 | GEN 3:20 | De mens noemde zijn vrouw nu Eva, omdat zij de moeder zou worden van al wat leeft. |
77 | GEN 3:21 | En Jahweh God maakte kleren van dierenhuiden voor den mens en zijn vrouw, en bekleedde hen daarmee. |
79 | GEN 3:23 | Daarom verdreef Jahweh God hem uit de tuin van Eden, om de grond te bebouwen, waaruit hij genomen was. |
80 | GEN 3:24 | Hij joeg den mens weg, en plaatste ten oosten van Edens tuin de cherubs met de vlam van het bliksemende zwaard, om de weg naar de levensboom te bewaken. |
81 | GEN 4:1 | De mens had gemeenschap met Eva, zijn vrouw; zij werd zwanger, baarde Kaïn, en sprak: Met de hulp van Jahweh heb ik een mannelijk kind ter wereld gebracht. |
84 | GEN 4:4 | Ook Abel bracht een offer van de eerstgeborenen van zijn kudde, en wel van de vetste. En Jahweh zag genadig neer op Abel en zijn offer, |
88 | GEN 4:8 | Maar Kaïn sprak tot Abel, zijn broer: Kom, laten we het veld ingaan. En toen zij op het veld waren, viel Kaïn zijn broer Abel aan en sloeg hem dood. |
92 | GEN 4:12 | Als gij de grond bebouwt, zal hij u geen oogst meer geven. Een zwerver en vluchteling zult ge zijn op de aarde. |
95 | GEN 4:15 | Maar Jahweh sprak tot hem: Neen; ieder, die Kaïn doodt, zal het zevenmaal boeten. En Jahweh gaf Kaïn een teken, opdat niemand, die hem vinden zou, hem zou doden. |
96 | GEN 4:16 | Daarna verdween Kaïn voor het aanschijn van Jahweh, en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden. |
103 | GEN 4:23 | Eens sprak Lémek tot zijn vrouwen: Ada en Silla, hoort mijn stem; Vrouwen van Lémek, luistert naar mijn woorden: Een man sla ik dood om mijn wonden, Een jongeling om een striem; |
106 | GEN 4:26 | Ook Set werd een zoon geboren, dien hij Enos noemde; en deze begon de naam van Jahweh aan te roepen. |
108 | GEN 5:2 | man en vrouw schiep Hij hen. En op de dag van hun schepping zegende Hij hen, en noemde hen mens. |
110 | GEN 5:4 | En Adam leefde, nadat hij Set verwekt had, nog achthonderd jaar, en verwekte zonen en dochters. |
111 | GEN 5:5 | Heel de levensduur van Adam was negenhonderd dertig jaar. En hij stierf. |
112 | GEN 5:6 | Set was honderd vijf jaar oud, toen hij Enos verwekte. |
113 | GEN 5:7 | En Set leefde, nadat hij Enos verwekt had, nog achthonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters. |
114 | GEN 5:8 | Heel de levensduur van Set was negenhonderd twaalf jaar. En hij stierf. |
115 | GEN 5:9 | Enos was negentig jaar oud, toen hij Kaïnan verwekte. |
116 | GEN 5:10 | En Enos leefde, nadat hij Kaïnan verwekt had, nog achthonderd vijftien jaar, en verwekte zonen en dochters. |
117 | GEN 5:11 | Heel de levensduur van Enos was negenhonderd vijf jaar. En hij stierf. |
119 | GEN 5:13 | En Kaïnan leefde, nadat hij Malaleël verwekt had, nog achthonderd veertig jaar, en verwekte zonen en dochters. |
120 | GEN 5:14 | Heel de levensduur van Kaïnan was negenhonderd tien jaar. En hij stierf. |
122 | GEN 5:16 | En Malaleël leefde, nadat hij Járed verwekt had, nog achthonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters. |
123 | GEN 5:17 | Heel de levensduur van Malaleël was achthonderd vijf en negentig jaar. En hij stierf. |
125 | GEN 5:19 | En Járed leefde, nadat hij Henok verwekt had, nog achthonderd jaar, en verwekte zonen en dochters. |
126 | GEN 5:20 | Heel de levensduur van Járed was negenhonderd twee en zestig jaar. En hij stierf. |
128 | GEN 5:22 | Henok leefde vertrouwelijk met God. En hij leefde, nadat hij Matoesala verwekt had, nog driehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters. |
130 | GEN 5:24 | En omdat Henok vertrouwelijk met God had geleefd, nam God hem weg, en men vond hem niet meer. |
132 | GEN 5:26 | En Matoesala leefde, nadat hij Lámek verwekt had, nog zevenhonderd twee en tachtig jaar, en verwekte zonen en dochters. |
133 | GEN 5:27 | Heel de levensduur van Matoesala was negenhonderd negen en zestig jaar. En hij stierf. |
136 | GEN 5:30 | En Lámek leefde, nadat hij Noë verwekt had, nog vijfhonderd vijf en negentig jaar, en verwekte zonen en dochters. |
137 | GEN 5:31 | Heel de levensduur van Lámek was zevenhonderd zeven en zeventig jaar. En hij stierf. |
145 | GEN 6:7 | En Jahweh sprak: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, van de aarde verdelgen; zowel den mens als de viervoetige dieren, de kruipende dieren en de vogels in de lucht; want het spijt Mij, dat Ik ze gemaakt heb. |
158 | GEN 6:20 | En van alle verschillende soorten van vogels, van alle soorten van beesten, van alle soorten van dieren, die kruipen over de aarde; van alles zal er een paar tot u komen om in het leven te blijven. |
165 | GEN 7:5 | En Noë deed alles, wat Jahweh hem bevolen had. |
167 | GEN 7:7 | En voor het water van de zondvloed vluchtte Noë in de ark met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. |
170 | GEN 7:10 | En op de zevende dag stortten de wateren van de zondvloed over de aarde. |
176 | GEN 7:16 | zij kwamen naar het bevel van God: mannetje en wijfje van al wat leeft. En Jahweh deed de deur achter hen dicht. |
190 | GEN 8:6 | En toen er veertig dagen waren verlopen, opende Noë het venster, dat hij in de ark had gemaakt. |
201 | GEN 8:17 | En laat ook alle dieren, alle wezens die bij u zijn, tegelijk met u naar buiten komen: de vogels, de viervoetige dieren en al wat op de aarde kruipt; opdat ze zich weer op de aarde bewegen, vruchtbaar zijn, en talrijk worden op aarde. |
218 | GEN 9:12 | En God sprak: Dit is het teken van het verbond, Dat Ik sluit voor alle geslachten, die komen: Tussen Mij en tussen u, En alle levende wezens, die bij u zijn. |
220 | GEN 9:14 | Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak, En de boog verschijnt in de wolken, |
223 | GEN 9:17 | En God sprak tot Noë: Dit is het teken van het verbond, dat Ik gesloten heb tussen Mij en alle schepselen, die op aarde zijn. |
231 | GEN 9:25 | sprak hij: Vervloekt zij Kanaän, Een slaaf der slaven zal hij zijn voor zijn broeders. |
235 | GEN 9:29 | Heel de levensduur van Noë was negenhonderd vijftig jaar. En hij stierf. |
239 | GEN 10:4 | De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de Kittiërs en de Rodiërs; |
241 | GEN 10:6 | De zonen van Cham zijn Koesj, Egypte, Poet en Kanaän. |
244 | GEN 10:9 | hij was een geweldig jager voor Jahweh. Daarom zegt men “Een geweldig jager voor Jahweh als Nimrod”. |
245 | GEN 10:10 | Aanvankelijk heerste hij over Babel, Erek, Akkad en Kalne, in het land Sjinar; |
248 | GEN 10:13 | Egypte bracht de Loedieten voort, de Anamieten, de Lehabieten en de Naftoechieten, |
256 | GEN 10:21 | Ook Sem, den stamvader van de zonen van Eber en oudsten broer van Jáfet, werden kinderen geboren. |
257 | GEN 10:22 | De zonen van Sem zijn Elam, Assjoer, Arpaksad, Loed en Aram. |
259 | GEN 10:24 | Arpaksad verwekte Sála, en Sála weer Eber. |
260 | GEN 10:25 | Eber had twee zonen; de eerste heette Páleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; zijn broer heette Joktan. |
273 | GEN 11:6 | Want Jahweh sprak: Zie, zij vormen één volk en spreken één taal. En dit is nog maar het begin van hun doen; later zal men niets meer kunnen beletten van al wat zij van plan zijn. |
278 | GEN 11:11 | En Sem leefde, nadat hij Arpaksad verwekt had, nog vijfhonderd jaar, en verwekte zonen en dochters. |
281 | GEN 11:14 | Sála was dertig jaar oud, toen hij Eber verwekte. |
282 | GEN 11:15 | En Sála leefde, nadat hij Eber verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters. |
283 | GEN 11:16 | Eber was vier en dertig jaar oud, toen hij Páleg verwekte. |
284 | GEN 11:17 | Eber leefde, nadat hij Páleg verwekt had, nog vierhonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters. |
286 | GEN 11:19 | En Páleg leefde, nadat hij Ragaoe verwekt had, nog tweehonderd negen jaar, en verwekte zonen en dochters. |
288 | GEN 11:21 | En Ragaoe leefde, nadat hij Seroeg verwekt had, nog tweehonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters. |
290 | GEN 11:23 | En Seroeg leefde, nadat hij Nachor verwekt had, nog tweehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters. |
292 | GEN 11:25 | En Nachor leefde, nadat hij Tara verwekt had, nog honderd negentien jaar, en verwekte zonen en dochters. |
294 | GEN 11:27 | En dit is de geslachtslijst van Tara. Tara verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot. |
302 | GEN 12:3 | Ik zal zegenen, die u zegent, Vervloeken, die u vervloekt. En in u zullen alle geslachten der aarde worden gezegend. |
309 | GEN 12:10 | Toen er in het land eens hongersnood uitbrak, zakte Abram naar Egypte af, om daar enige tijd te verblijven; want de hongersnood teisterde het land hevig. |
310 | GEN 12:11 | Maar op het punt Egypte binnen te trekken, zeide hij tot Sarai, zijn vrouw: Luister; ik weet, dat gij een mooie vrouw zijt. |
311 | GEN 12:12 | Als de Egyptenaren u zien, en denken: dat is zijn vrouw, dan zullen ze mij vermoorden, maar u in leven laten. |
313 | GEN 12:14 | Zodra Abram nu in Egypte was gekomen, zagen de Egyptenaren, hoe buitengewoon mooi die vrouw was. |