1 | GEN 1:1 | In het begin schiep God hemel en aarde. |
5 | GEN 1:5 | het licht noemde Hij dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Zo werd het avond en morgen: de eerste dag. |
6 | GEN 1:6 | God sprak: Er zij een uitspansel tussen de wateren, om de wateren van elkander te scheiden. Zo geschiedde. |
7 | GEN 1:7 | God maakte het uitspansel, en scheidde het water onder het uitspansel van het water daarboven; |
8 | GEN 1:8 | het uitspansel noemde God hemel. Weer werd het avond en morgen: de tweede dag. |
9 | GEN 1:9 | God sprak: Het water onder de hemel moet samenvloeien naar één plaats, zodat het droge te voorschijn komt. Zo geschiedde. |
10 | GEN 1:10 | Het droge noemde God aarde, het saamgevloeide water noemde Hij zee. En God zag, dat het goed was. |
11 | GEN 1:11 | God sprak: De aarde moet groene planten voortbrengen, zaaddragend gewas en vruchtbomen, die zaadvruchten dragen op aarde, elk naar zijn soort. Zo geschiedde. |
12 | GEN 1:12 | De aarde deed groene planten ontspruiten, zaaddragend gewas, en bomen, die zaadvruchten dragen, elk naar zijn soort. En God zag, dat het goed was. |
13 | GEN 1:13 | Weer werd het avond en morgen: de derde dag. |
14 | GEN 1:14 | God sprak: Er moeten lichten komen aan het hemelgewelf, om de dag en de nacht van elkaar te scheiden; zij moeten ook tot tekenen dienen voor vaste tijden, dagen en jaren; |
15 | GEN 1:15 | en als lichten staan aan het hemelgewelf, om de aarde te verlichten. Zo geschiedde. |
16 | GEN 1:16 | God maakte de beide grote lichten: het grootste licht om de dag te beheersen, en het kleinste om heerschappij te voeren over de nacht; bovendien de sterren. |
17 | GEN 1:17 | God plaatste ze aan het hemelgewelf, om de aarde te verlichten, |
18 | GEN 1:18 | om te heersen over de dag en de nacht, en om licht en duisternis van elkander te scheiden. En God zag, dat het goed was. |
19 | GEN 1:19 | Weer werd het avond en morgen: de vierde dag. |
20 | GEN 1:20 | God sprak: Laat het water krioelen van levend gewemel, en over de aarde de vogels vliegen langs het hemelgewelf. |
21 | GEN 1:21 | Toen schiep God de grote zeegedrochten met al het levend gewemel, waarvan het water krioelt, elk naar zijn soort; en al de verschillende soorten van gevleugelde dieren. En God zag, dat het goed was. |
22 | GEN 1:22 | Toen zegende God ze, en sprak: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; bevolkt het water der zee, en laat ook de vogels zich op aarde vermeerderen. |
23 | GEN 1:23 | Weer werd het avond en morgen: de vijfde dag. |
24 | GEN 1:24 | God sprak: Laat de aarde levende wezens voortbrengen van allerlei soort; tamme dieren, kruipende dieren en beesten in het wild, elk naar zijn soort. Zo geschiedde. |
25 | GEN 1:25 | God maakte de verschillende soorten van wilde en tamme dieren met al wat over de aarde kruipt. En God zag, dat het goed was. |
26 | GEN 1:26 | God sprak: Laat ons den mens maken als ons beeld, op ons gelijkend; hij heerse over de vissen der zee, de vogels in de lucht, de viervoetige dieren, en over heel de aarde met alles, wat er op kruipt. |
27 | GEN 1:27 | En God schiep den mens als zijn beeld. Als het beeld van God schiep Hij hem; Man en vrouw schiep Hij hen. |
28 | GEN 1:28 | Toen zegende God ze, en sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; bevolkt de aarde en onderwerpt haar; heerst over de vissen der zee, de vogels in de lucht en over alle levende wezens, die zich op de aarde bewegen. |
29 | GEN 1:29 | God sprak: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de hele aarde, met alle bomen, die zaadvruchten dragen; die zullen u tot voedsel dienen. |
31 | GEN 1:31 | En God zag dat alles, wat Hij gemaakt had, zeer goed was. Weer werd het avond en morgen: de zesde dag. |
32 | GEN 2:1 | Zo werden hemel en aarde voltooid met heel hun heir. |
33 | GEN 2:2 | En toen God op de zevende dag het werk had voltooid, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij had gedaan. |
34 | GEN 2:3 | God zegende de zevende dag, en verklaarde die heilig, omdat God toen rustte van al het werk, dat Hij geschapen en tot stand had gebracht. |
35 | GEN 2:4 | Dit is de scheppingsgeschiedenis van hemel en aarde. Toen Jahweh God aarde en hemel gemaakt had, |
36 | GEN 2:5 | groeide er op aarde nog geen enkele struik in het wild, en evenmin ontsproot er gras op de velden; want Jahweh God had het nog niet laten regenen op aarde, en er was nog geen mens, om het land te bewerken; |
37 | GEN 2:6 | maar een damp steeg op uit de aarde, die heel de aardbodem drenkte. |
38 | GEN 2:7 | Toen vormde Jahweh God den mens uit kleiaarde, en blies levensadem in zijn neus; zo werd de mens een levend wezen. |
39 | GEN 2:8 | Nu plantte Jahweh God een tuin in Eden, in het oosten, en plaatste daarin den mens, dien Hij gemaakt had. |
40 | GEN 2:9 | Uit de bodem liet Jahweh God allerlei bomen opschieten, prachtig van vorm en met heerlijke vruchten; en midden in de tuin stond de levensboom, en de boom der kennis van goed en kwaad. |
42 | GEN 2:11 | De eerste heet de Pisjon; deze stroomt om het hele land Chawila heen, waar het goud wordt gevonden; |
43 | GEN 2:12 | het goud van dat land is voortreffelijk; men vindt daar ook balsemhars en robijnen. |
44 | GEN 2:13 | De tweede stroom heet de Gichon, en deze omspoelt het hele land van Koesj. |
45 | GEN 2:14 | De derde stroom heet de Tigris, en loopt ten oosten van Assjoer. De vierde is de Eufraat. |
46 | GEN 2:15 | Daarop plaatste Jahweh God den mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te bewaken. |
47 | GEN 2:16 | En Jahweh God gaf den mens het volgend gebod: Van alle bomen uit de tuin moogt ge eten; |
48 | GEN 2:17 | maar van de boom der kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten; want wanneer ge daarvan eet, zult ge sterven. |
49 | GEN 2:18 | En Jahweh God sprak: Het is niet goed voor den mens, dat hij alleen blijft. Ik zal dus een hulp voor hem maken, die hem past. |
50 | GEN 2:19 | Toen vormde Jahweh God uit de klei alle dieren op het land en alle vogels in de lucht, en voerde ze naar den mens, om te zien, hoe hij ze zou noemen; want zoals de mens elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. |
51 | GEN 2:20 | De mens gaf dan namen aan alle tamme dieren en aan de vogels in de lucht en aan alle dieren in het wild, maar vond geen hulp, die hem paste. |