Wildebeest analysis examples for:   nld-nld1939   ë    February 11, 2023 at 19:16    Script wb_pprint_html.py   by Ulf Hermjakob

98  GEN 4:18  Aan Chanok werd Irad geboren, en Irad verwekte Mechoejaël; Mechoejaël verwekte Metoesjaël, en Metoesjaël weer Lémek.
118  GEN 5:12  Kaïnan was zeventig jaar oud, toen hij Malaleël verwekte.
119  GEN 5:13  En Kaïnan leefde, nadat hij Malaleël verwekt had, nog achthonderd veertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
121  GEN 5:15  Malaleël was vijf en zestig jaar oud, toen hij Járed verwekte.
122  GEN 5:16  En Malaleël leefde, nadat hij Járed verwekt had, nog achthonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
123  GEN 5:17  Heel de levensduur van Malaleël was achthonderd vijf en negentig jaar. En hij stierf.
135  GEN 5:29  Hij noemde hem Noë, want hij sprak: Deze zal ons uit de bodem, die Jahweh vervloekt heeft, verkwikking verschaffen bij ons werken en zwoegen.
136  GEN 5:30  En Lámek leefde, nadat hij Noë verwekt had, nog vijfhonderd vijf en negentig jaar, en verwekte zonen en dochters.
138  GEN 5:32  Noë was vijfhonderd jaar oud, toen hij Sem, Cham en Jáfet verwekte.
146  GEN 6:8  Maar Noë vond genade in de ogen van Jahweh.
147  GEN 6:9  Dit is de geschiedenis van Noë. Noë was een rechtschapen man, en leefde onberispelijk te midden van zijn tijdgenoten; Noë leefde vertrouwelijk met God.
148  GEN 6:10  Noë verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jáfet.
151  GEN 6:13  sprak God tot Noë: Ik heb de ondergang van alle mensen besloten, omdat ze de aarde van hun ongerechtigheid hebben vervuld. Zie, Ik zal ze met de aarde verdelgen.
160  GEN 6:22  Noë deed het; hij deed al wat God hem gebood.
161  GEN 7:1  Toen sprak Jahweh tot Noë: Ga met uw gezin in de ark, want Ik heb u rechtvaardig voor mijn aanschijn bevonden te midden van dit geslacht.
165  GEN 7:5  En Noë deed alles, wat Jahweh hem bevolen had.
166  GEN 7:6  Noë was zeshonderd jaar oud, toen de zondvloed over de aarde kwam.
167  GEN 7:7  En voor het water van de zondvloed vluchtte Noë in de ark met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen.
169  GEN 7:9  kwam telkens een paar, mannetje en wijfje, naar Noë binnen de ark, zoals God Noë geboden had.
171  GEN 7:11  In het zeshonderdste levensjaar van Noë, in de tweede maand, op de zeven en twintigste dag van de maand, toen braken alle kolken los van de geweldige afgrond, en werden de sluizen van de hemel geopend;
173  GEN 7:13  Nog diezelfde dag ging Noë in de ark met Sem, Cham en Jáfet, de zonen van Noë, met de vrouw van Noë en de drie vrouwen van zijn zonen;
175  GEN 7:15  In paren kwamen alle levende wezens naar Noë in de ark:
183  GEN 7:23  Al wat op aarde bestond, werd verzwolgen; mens, viervoetige dieren, kruipende dieren en vogels in de lucht werden van de aarde verdelgd. Noë alleen, en wat met hem in de ark was, bleef over.
185  GEN 8:1  Toen dacht God aan Noë, en aan alle wilde en tamme dieren, die met hem in de ark waren. God deed een wind over de aarde waaien, waardoor het water begon te zakken.
190  GEN 8:6  En toen er veertig dagen waren verlopen, opende Noë het venster, dat hij in de ark had gemaakt.
195  GEN 8:11  De duif keerde tegen de avond naar hem terug, en droeg een frisse olijftak in de bek. Toen begreep Noë, dat het water van de aarde moest zijn weggezakt.
197  GEN 8:13  In het zeshonderd eerste levensjaar van Noë, in het begin van de eerste maand, was het water van de aarde opgedroogd. Nu verwijderde Noë het dak van de ark, en keek naar buiten; en zie, de oppervlakte der aarde was droog.
199  GEN 8:15  Toen sprak God tot Noë:
202  GEN 8:18  Noë ging er dus uit met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen.
204  GEN 8:20  Toen bouwde Noë een altaar voor Jahweh; en hij nam van alle reine dieren en van alle reine vogels, en droeg ze op het altaar als brandoffer op.
207  GEN 9:1  Toen zegende God Noë met zijn zonen, en sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en bevolkt de aarde.
214  GEN 9:8  Daarop sprak God tot Noë en zijn zonen:
223  GEN 9:17  En God sprak tot Noë: Dit is het teken van het verbond, dat Ik gesloten heb tussen Mij en alle schepselen, die op aarde zijn.
224  GEN 9:18  De zonen van Noë, die de ark verlieten, waren Sem, Cham en Jáfet; Cham was de vader van Kanaän.
225  GEN 9:19  Dit waren de drie zonen van Noë, en door hen werd de hele aarde bevolkt.
226  GEN 9:20  Noë begon het land te bebouwen, en plantte een wijngaard.
230  GEN 9:24  Toen Noë uit zijn roes was ontwaakt, en vernam, wat zijn jongste zoon hem had gedaan,
234  GEN 9:28  Noë leefde na de zondvloed nog driehonderd vijftig jaar.
235  GEN 9:29  Heel de levensduur van Noë was negenhonderd vijftig jaar. En hij stierf.
236  GEN 10:1  Dit is de geslachtslijst van de zonen van Noë: van Sem, Cham en Jáfet; want hun werden na de zondvloed zonen geboren.
239  GEN 10:4  De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de Kittiërs en de Rodiërs;
263  GEN 10:28  Obal, Abimaël, Sjeba,
267  GEN 10:32  Dit zijn dan de geslachten van de zonen van Noë naar hun stammen en volken; uit hen zijn de volken voortgekomen, die zich na de zondvloed over de aarde hebben verspreid.
295  GEN 11:28  Haran stierf nog bij het leven van Tara, zijn vader, in zijn geboorteland, in Oer der Chaldeën.
298  GEN 11:31  Tara nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, den zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, en voerde ze weg uit Oer der Chaldeën, om naar het land Kanaän te trekken. Maar eenmaal in Charan gekomen, bleven zij daar wonen.
350  GEN 14:13  Een vluchteling kwam het Abram, den Hebreër, berichten; deze woonde toen bij de eik van Mamre, den Amoriet, den broer van Esjkol en Aner, die bondgenoten waren van Abram.
368  GEN 15:7  Daarop sprak Hij tot hem: Ik ben Jahweh, die u uit Oer der Chaldeën heb geleid, om u dit land in eigendom te geven.
393  GEN 16:11  Nog sprak de engel van Jahweh tot haar: Zie, ge zijt zwanger; een zoon zult ge baren, En hem de naam van Jisjmaël geven; Want Jahweh heeft naar uw schreien gehoord.
397  GEN 16:15  Zo schonk Hagar aan Abram een zoon, en Abram noemde den zoon, dien Hagar hem baarde, Jisjmaël.
398  GEN 16:16  Abram was zes en tachtig jaar oud, toen Hagar hem Jisjmaël baarde.
416  GEN 17:18  Daarom zei Abraham tot God: Moge Jisjmaël voor uw aanschijn leven.
418  GEN 17:20  Ook aangaande Jisjmaël heb Ik u verhoord: Ik zal hem zegenen, vruchtbaar maken, zeer talrijk doen zijn: Twaalf vorsten zal hij verwekken, En een groot volk zal Ik hem maken.
421  GEN 17:23  Nu nam Abraham zijn zoon Jisjmaël, en alle mannelijke huisgenoten, die bij hem in huis waren geboren of die hij voor geld had gekocht, en besneed nog op diezelfde dag het vlees van hun voorhuid, zoals God hem gezegd had.
423  GEN 17:25  zijn zoon Jisjmaël was dertien jaar oud, toen zijn voorhuid besneden werd.
424  GEN 17:26  Op dezelfde dag werden Abraham en zijn zoon Jisjmaël besneden;
458  GEN 18:33  Toen Jahweh het gesprek met Abraham had beëindigd, ging Hij heen, en keerde Abraham naar zijn woonplaats terug.
528  GEN 21:14  Daarom nam Abraham de volgende morgen brood en een zak water, gaf ze aan Hagar, zette het kind op haar schouder, en zond haar weg. Zij ging heen, maar verdwaalde in de woestijn van Beër-Sjéba.
545  GEN 21:31  Daarom wordt die plaats Beër-Sjéba genoemd, omdat zij daar beiden een eed hebben gezworen.
546  GEN 21:32  En nadat zij dus een verbond te Beër-Sjéba hadden gesloten, brak Abimélek met zijn legeroverste Pikol op, en keerde naar het land der Filistijnen terug.
547  GEN 21:33  Abraham plantte een tamarisk te Beër-Sjéba, en riep daar de naam van Jahweh aan, den eeuwigen God.
567  GEN 22:19  Toen keerde Abraham terug naar zijn knechten; zij trokken op, en gingen naar Beër-Sjéba terug. Abraham bleef te Beër-Sjéba wonen.
569  GEN 22:21  Het waren Oes zijn eerstgeborene, en Boez zijn broer; verder Kemoeël, de vader van Aram,
570  GEN 22:22  en Késed, Chazo, Pildasj, Jidlaf en Betoeël.
571  GEN 22:23  Deze Betoeël verwekte Rebekka. Deze acht baarde Milka aan Nachor, den broer van Abraham.
607  GEN 24:15  Nog had hij niet uitgesproken, of Rebekka kwam met een kruik op haar schouder naar buiten; zij was de dochter van Betoeël, den zoon van Milka, de vrouw van Nachor, Abrahams broer.
616  GEN 24:24  Ze gaf hem ten antwoord: Ik ben de dochter van Betoeël, den zoon van Milka, dien zij aan Nachor heeft gebaard.
618  GEN 24:26  Toen viel de man op zijn knieën, aanbad Jahweh,
639  GEN 24:47  Ik vroeg haar: Wiens dochter zijt gij? Zij antwoordde: De dochter van Betoeël, den zoon van Nachor, dien Milka hem geschonken heeft. Toen stak ik een ring in haar neus, en deed armbanden om haar polsen.
640  GEN 24:48  Ik viel op mijn knieën om Jahweh te aanbidden, en ik zegende Jahweh, den God van mijn heer Abraham, die mij op de rechte weg had geleid, om voor zijn zoon de dochter van den broer van mijn meester te gaan halen.
642  GEN 24:50  Laban en Betoeël gaven ten antwoord: Dit is een beschikking van Jahweh; we kunnen er niets tegen inbrengen.
668  GEN 25:9  Zijn zonen Isaäk en Jisjmaël begroeven hem in de grot van Makpela, die ten oosten van Mamre ligt, op de akker van Efron, den zoon van Sóchar, den Chittiet.
671  GEN 25:12  Dit is de geslachtslijst van Jisjmaël, den zoon van Abraham, dien Hagar, de egyptische slavin van Sara, Abraham gebaard heeft.
672  GEN 25:13  Dit zijn de namen van Jisjmaëls zonen volgens de naam van hun geslacht. De eerstgeborene van Jisjmaël was Nebajot; verder Kedar, Adbeël en Mibsam,
675  GEN 25:16  Dit zijn de zonen van Jisjmaël, en dat zijn hun namen naar hun nederzettingen en kampementen: twaalf vorsten overeenkomstig het getal van hun stammen.
676  GEN 25:17  De levensjaren van Jisjmaël bedroegen honderd zeven en dertig jaar. Toen ontsliep hij en stierf, en werd bij zijn volk verzameld.
679  GEN 25:20  Toen Isaäk veertig jaar oud was, huwde hij Rebekka, de dochter van Betoeël, den Arameër van Paddan-Aram, en zuster van den Arameër Laban.
716  GEN 26:23  Vandaar trok hij op naar Beër-Sjéba.
726  GEN 26:33  Hij noemde die Sjiba; en daarom heet die stad Beër-Sjéba tot op de huidige dag.
727  GEN 26:34  Toen Esau veertig jaar oud was, huwde hij Jehoedit, de dochter van den Chittiet Beëri, en Basemat, de dochter van den Chittiet Elon.
776  GEN 28:2  Maar maak u gereed, om naar Paddan-Aram te gaan, naar het huis van uw grootvader Betoeël; kies u daar een vrouw uit de dochters van uw oom Laban.
779  GEN 28:5  Zo zond Isaäk Jakob heen, en deze ging naar Paddan-Aram naar Laban, den zoon van den Arameër Betoeël, en broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau.
783  GEN 28:9  daarom begaf hij zich naar Jisjmaël, en nam Machalat, de dochter van Jisjmaël, Abrahams zoon, de zuster van Nebajot tot vrouw bij de andere vrouwen, die hij al had.
784  GEN 28:10  Toen Jakob van Beër-Sjéba was afgereisd en naar Charan trok,
834  GEN 30:3  Nu sprak ze: Hier hebt ge Bilha, mijn slavin; houd gemeenschap met haar, dan kan zij op mijn knieën baren, en ook ik door middel van haar uw geslacht opbouwen.
894  GEN 31:20  Jakob bedroog Laban, den Arameër, door zijn vlucht voor hem verborgen te houden.
898  GEN 31:24  Maar die nacht verscheen God in een droom aan Laban, den Arameër, en sprak tot hem: Pas er voor op, Jakob ook maar iets te verwijten.
957  GEN 32:29  Hij zeide toen: Voortaan zult ge geen Jakob meer heten, maar Israël; want ge hebt met God en met mensen gestreden, en de overwinning behaald.
959  GEN 32:31  Jakob noemde die plaats Penoeël; want ik heb God gezien van aanschijn tot aanschijn, en ben toch in leven gebleven!
960  GEN 32:32  De zon ging juist op, toen hij Penoeël voorbij was. Hij bleef echter mank aan zijn heup.
961  GEN 32:33  Daarom eten tot heden toe de zonen Israëls de heupspier niet, die aan de bovenheup ligt; want hij had Jakob tegen de bovenheup gestoten, tegen de spier van het heupgewricht.
981  GEN 33:20  Hij richtte daar een altaar op, en riep den God van Israël aan.
988  GEN 34:7  Intussen waren de zonen van Jakob van het land teruggekeerd. Toen de mannen vernamen, wat er gebeurd was, werden ze verontwaardigd en ontstaken in hevige toorn; door de dochter van Jakob te verkrachten, was er een schanddaad aan Israël begaan. Zo iets was er nog nooit gebeurd.
1022  GEN 35:10  En God sprak tot hem: Uw naam is Jakob; voortaan zult ge geen Jakob meer heten, maar Israël zult ge worden genoemd. Zo gaf Hij hem de naam Israël.
1033  GEN 35:21  Israël trok nu verder, en spande zijn tent voorbij Migdal-Éder.