938 | GEN 32:10 | En Jakob sprak: O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaäk, Jahweh, die tot mij hebt gezegd: “Keer terug naar uw land en uw familie, en Ik zal u weldaden bewijzen!” |
1379 | GEN 45:20 | Ge behoeft geen spijt om uw huisraad te hebben; want het allerbeste, wat Egypte kan bieden, is voor u!” |
1594 | EXO 3:14 | God sprak tot Moses: Ik ben: “Ik ben!” En Hij vervolgde: Dit moet ge aan de Israëlieten antwoorden: “Ik ben” zendt mij tot u! |
1595 | EXO 3:15 | En God sprak verder tot Moses: Dit moet gij aan Israëls kinderen zeggen: “Jahweh, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob zendt mij tot u!” Dit is voor eeuwig mijn Naam; zo zal Ik heten van geslacht tot geslacht. |
1597 | EXO 3:17 | Daarom heb Ik besloten: Uit de ellende van Egypte voer Ik u weg naar het land der Kanaänieten en Chittieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten, naar een land, dat druipt van melk en honing!” |
2451 | EXO 32:12 | Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: “Met opzet heeft Hij hen weggeleid, om hen in de bergen te doen omkomen en hen van de aarde te verdelgen!” Laat toch uw ziedende gramschap bedaren, en trek het onheil weer terug van uw volk. |
3815 | NUM 5:22 | Dit vloekwater zal in uw binnenste dringen, om uw buik te doen zwellen en uw heup te doen invallen!” En de vrouw moet antwoorden: Amen, Amen! |
4043 | NUM 11:18 | En tot het volk moet gij zeggen: Heiligt u voor morgen; dan zult gij vlees eten. Want Jahweh heeft u horen klagen: “Gaf men ons maar eens vlees te eten; wat hadden we het in Egypte toch goed!” Ja, Jahweh zal u vlees te eten geven! |
4046 | NUM 11:21 | En Moses zei: Het volk waaronder ik toef, is zeshonderd duizend man sterk, en Gij zegt: “Ik zal het een maand lang vlees laten eten!” |
5680 | DEU 28:67 | Des morgens zult ge zeggen: “Ach, was het maar avond!” en des avonds: “Ach, was het maar morgen!” om de angst, die uw hart vervult en om het schouwspel, dat ge moet zien. |
5700 | DEU 29:18 | En wanneer iemand de woorden van dit eedverdrag hoort en zichzelf in stilte gelukkig durft prijzen en zegt: “Ik zal vrede genieten, hoewel ik wandel in de verstoktheid mijns harten!” en hij zo de oorzaak wordt, dat het besproeide met het dorstige wordt uitgerukt, |
5709 | DEU 29:27 | daarom heeft Jahweh ze in zijn toorn en gramschap en zijn grimmige woede weggerukt van hun grond, en ze weggeslingerd naar een ander land, waar ze heden nog zijn!” |
5845 | DEU 34:4 | En Jahweh sprak tot hem: Dit is het land, dat Ik aan Abraham, Isaäk en Jakob onder ede beloofd heb: “Aan uw nageslacht zal Ik het geven!” Ik heb het u met eigen ogen laten aanschouwen, maar gij zult daar niet binnengaan. |
5934 | JOS 4:22 | moet ge uw zonen vertellen: “Droogvoets trok Israël hier over de Jordaan!” |
6453 | JOS 22:25 | Jahweh heeft toch tussen ons en de kinderen van Ruben en Gad de Jordaan als grens gesteld? Ge hebt dus geen deel aan Jahweh!” En zo zouden uw kinderen oorzaak zijn, dat de onze Jahweh niet meer vreesden. |
6455 | JOS 22:27 | maar als een getuige tussen ons en u en onze nakomelingen na ons, dat wij met onze brand-, slacht- en vredeoffers Jahweh’s aanschijn willen dienen, zodat uw kinderen later tot de onze niet zeggen: “Gij hebt geen deel aan Jahweh!” |
6669 | JDG 6:13 | Gedeon gaf ten antwoord: Och heer, als Jahweh met ons is, waarom overkomt ons dit alles? Waar zijn dan al zijn wonderdaden, waarvan onze vaderen ons verhaalden, als ze zeiden: “Jahweh heeft ons uit Egypte gevoerd!” Want nu heeft Jahweh ons verworpen en in de hand der Midjanieten geleverd. |
7520 | 1SA 14:10 | Maar roepen ze: “Kom op!” dan gaan we naar boven; want dat is voor ons het teken, dat Jahweh ze aan ons heeft overgeleverd. |
7538 | 1SA 14:28 | Maar iemand uit het volk sprak hem aan, en zeide: Uw vader heeft het volk deze plechtige eed laten zweren: “Gevloekt de man, die vandaag iets eet!” Daar echter het volk uitgeput was, |
7725 | 1SA 19:17 | Saul vroeg aan Mikal: Waarom hebt ge me aldus bedrogen, door mijn vijand te laten ontsnappen? Mikal gaf Saul ten antwoord: Hij heeft tegen mij gezegd: “Laat me gaan, of ik sla je dood!” |
7753 | 1SA 20:21 | en den jongen gelasten, de pijlen te gaan oprapen. Zeg ik dan tot den jongen: “Hé, de pijl ligt meer naar deze kant toe, raap ze op, kom dan voor de dag; want dan zijt ge veilig en is er geen gevaar, zowaar Jahweh leeft!” |
7927 | 1SA 26:19 | Maar laat mijn heer en koning nu luisteren naar de woorden van zijn dienaar: Als het Jahweh is, die u tegen mij opzet, moge Hij dan de geur van een offer aanvaarden. Maar als het mensen zijn, mogen zij dan gevloekt zijn voor Jahweh, omdat ze mij thans verdreven hebben en uitgesloten van Jahweh’s erfdeel, en mij hebben gezegd: “Ga andere goden dienen!” |
8137 | 2SA 5:2 | Reeds vroeger, toen Saul nog koning over ons was, waart gij het, die Israël te velde deed trekken en terugbracht. En tot u heeft Jahweh gezegd: “Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zult de leider van Israël zijn!” |
8402 | 2SA 15:10 | nadat hij door ijlboden aan alle stammen in Israël had laten zeggen: Wanneer ge bazuingeschal hoort, moet ge uitroepen: “Absalom is koning geworden in Hebron!” |
8504 | 2SA 18:23 | Maar toen hij volhield: “Gebeure wat wil, ik loop er heen!” riep Joab hem toe: Loop er dan heen! En daar Achimáas de weg door de Jordaanstreek koos, kwam hij den Ethiopiër voor. |
9004 | 1KI 8:16 | “Sinds de dag, dat Ik mijn volk Israël uit Egypte heb geleid, heb Ik geen enkele stad van al de stammen van Israël uitverkoren, om Mij daar een tempel te bouwen, waarin mijn Naam zou wonen. Maar Jerusalem heb Ik uitverkoren, om daar mijn Naam te doen wonen; en David heb Ik uitgekozen, om over mijn volk te heersen!” |
9017 | 1KI 8:29 | Moge uw ogen dag en nacht over dit huis blijven waken, over de plaats, waarvan Gij gezegd hebt: “Mijn Naam zal daar wonen!” Hoor het gebed, dat uw dienaar op deze plaats tot U opzendt; |
9059 | 1KI 9:5 | dan zal Ik uw koningstroon over Israël voor altijd bevestigen, zoals Ik aan uw vader David beloofd heb, toen Ik hem zeide: “Nooit zal het u aan een man op de troon van Israël ontbreken!” |
9797 | 2KI 9:37 | het lijk van Izébel zal zijn als mest op het land, zodat men niet zal kunnen zeggen: Daar ligt Izébel!” |
10679 | 1CH 11:2 | Reeds vroeger, toen Saul nog koning was, waart gij het, die Israël te velde deedt trekken en terugbracht. En tot u heeft Jahweh, uw God, gezegd: “Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zult de leider van mijn volk Israël zijn!” |
10847 | 1CH 16:22 | “Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!” |
11293 | 2CH 6:6 | Maar Jerusalem heb Ik uitverkoren, om daar mijn Naam te doen wonen; en David heb Ik uitgekozen, om over mijn volk Israël te heersen!” |
11307 | 2CH 6:20 | Mogen uw ogen nacht en dag over dit huis blijven waken, over de plaats, waarvan Gij gezegd hebt: “Mijn Naam zal daar wonen!” Hoor het gebed, dat uw dienaar op deze plaats tot U opzendt. |
11332 | 2CH 7:3 | En toen alle Israëlieten aanschouwden, hoe het vuur neerdaalde en de glorie van Jahweh de tempel vervulde, bogen zij allen in aanbidding hun gelaat op het plaveisel ter aarde neer, en weerklonk de lofzang: “Looft Jahweh, want Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid!” |
11347 | 2CH 7:18 | dan zal Ik uw koningstroon voor altijd bevestigen, zoals Ik aan uw vader David beloofd heb, toen Ik hem zeide: “Nooit zal het u aan een afstammeling op de troon van Israël ontbreken!” |
11410 | 2CH 10:10 | En de jongemannen, die met hem waren opgegroeid, zeiden hem: Dit moet ge antwoorden aan dit volk, dat tot u durfde zeggen: “Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd; maak gij het nu lichter!” Zo moet ge tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan mijns vaders middel. |
11613 | 2CH 20:21 | Toen overlegde hij met het volk, en bepaalde, dat de zangers van Jahweh en de muzikanten in de heilige feestgewaden voor de soldaten uit moesten gaan en zingen: “Looft Jahweh; want eeuwig duurt zijn barmhartigheid!” |
12113 | EZR 3:11 | Ze hieven aan: “Prijst en looft Jahweh; want Hij is goed, en zijn goedheid voor Israël duurt eeuwig!” En heel het volk jubelde mee bij die lofzang ter ere van Jahweh, omdat het fundament van Jahweh’s huis was gelegd. |
13389 | JOB 21:30 | “De boze blijft gespaard op de dag van verderf, En ontsnapt op de dag van de gramschap!” |
13413 | JOB 22:20 | “Waarachtig, hun have vernield, Hun overvloed door het vuur verteerd!” |
13663 | JOB 33:9 | “Ik ben rein, zonder zonde, Ik ben zuiver, op mij rust geen schuld!” |
13666 | JOB 33:12 | Zie, als ik roep, antwoordt Hij niet Want God is groter dan een mens!” |
13952 | PSA 2:3 | “Laat ons hun ketens verbreken, Ons van hun boeien ontslaan!” |
13955 | PSA 2:6 | “Ik zelf stel Mij een koning aan, Op Sion, mijn heilige berg!” |
13977 | PSA 4:7 | Velen zeggen: “Wie verleent ons geluk; Laat het licht van uw aanschijn over ons opgaan!” |
14056 | PSA 10:4 | De zondaar trekt honend zijn neus op voor Jahweh, En denkt maar: “Hij straft niet; er is geen God!” |
14058 | PSA 10:6 | Hij zegt bij zich zelf: “Nooit zal ik wankelen; Van geslacht tot geslacht treft mij ongeluk noch vloek!” |
14063 | PSA 10:11 | En hij zegt bij zich zelf: “God vergeet het! Hij verbergt zijn gelaat; Hij ziet het niet eens!” |
14065 | PSA 10:13 | Waarom zou de booswicht God blijven honen, Bij zichzelf blijven zeggen: “Toch vergeldt Gij het niet!” |
14082 | PSA 12:5 | “Met onze tong zijn we sterk! We hebben onze lippen; wie kan ons aan!” |
14093 | PSA 14:1 | Voor muziekbegeleiding. Van David. De dwaas zegt bij zichzelf: “Er is geen God!” Slecht en schandelijk is zijn gedrag; Er is niemand, die het goede behartigt. |
14229 | PSA 22:9 | “Hij heeft op Jahweh vertrouwd. Laat Die hem nu helpen, En hem verlossen, wanneer Hij hem liefheeft!” |
14244 | PSA 22:24 | “Looft Jahweh, gij die Hem vreest, Heel Jakobs geslacht; Brengt Hem ere en siddert voor Hem, Alle kinderen van Israël!” |
14245 | PSA 22:25 | “Want nimmer heeft Hij versmaad of veracht De ellende van den verdrukte; Zijn aanschijn voor hem niet verborgen, Maar hem verhoord, als hij Hem riep!” |
14310 | PSA 27:8 | Gij hebt het toch zelf mij gezegd: “Ge moet mijn aangezicht zoeken!” |
14339 | PSA 30:3 | Ik riep tot U: “O Jahweh, mijn God!” En Gij hebt mij genezen, o Jahweh! |
14343 | PSA 30:7 | In zelfgenoegzaamheid had ik gezegd: “Nooit zal ik wankelen!” |
14372 | PSA 31:23 | Ik had in mijn angst al gezegd: “Ik ben uit uw ogen verstoten!” Maar Gij hebt mijn smeken verhoord, Toen ik om hulp tot U riep. |
14433 | PSA 35:3 | Trek speer en strijdbijl tegen mijn vervolgers, Zeg tot mijn ziel: “Uw redding ben Ik!” |
14440 | PSA 35:10 | En heel mijn gebeente zal zeggen: “Jahweh, wie is U gelijk? Gij beschermt den zwakke tegen den sterke, Den zwakke en arme tegen zijn berovers!” |
14455 | PSA 35:25 | Laat ze niet denken: “Ha, nu zijn wij tevreden!” Niet zeggen: “We hebben hem onder de voet!” |
14457 | PSA 35:27 | Maar mogen juichen en jubelen Die van mijn goed recht zijn doordrongen; Zonder ophouden zeggen: “Jahweh is groot, Die enkel het heil van zijn dienaar beoogt!” |
14556 | PSA 40:8 | Daarom zeg ik: “Zie, ik kom!” In de boekrol staat mij voorgeschreven, |
14564 | PSA 40:16 | En verstarren van schaamte, Die tot mij roepen: “Ha, ha!” |
14565 | PSA 40:17 | Maar in U mogen jubelen en juichen, Al die U zoeken; Zonder ophouden zeggen: “Jahweh is groot!” Die verlangend zijn naar uw heil. |
14571 | PSA 41:5 | Ik bid wel: “Jahweh, wees mij genadig; Genees mijn ziel, want ik heb gezondigd tegen U!” |
14572 | PSA 41:6 | Maar mijn vijand verwenst mij: “Wanneer gaat hij dood, en verdwijnt ook zijn naam!” |
14575 | PSA 41:9 | “Een helse pest kleeft hem aan; Waar hij ligt, blijft hij liggen!” |
14584 | PSA 42:4 | Dag en nacht zijn de tranen mijn brood, Omdat mij almaar gezegd wordt: “Waar blijft toch uw God!” |
14591 | PSA 42:11 | De hoon van mijn haters schrijnt als een steek in mijn beenderen, Omdat mij almaar gezegd wordt: “Waar blijft toch uw God!” |
14705 | PSA 50:5 | “Brengt Mij mijn getrouwen bijeen, Die door offers het Verbond met Mij sloten!” |
14753 | PSA 52:9 | “Daar is nu de man, die zijn kracht niet in God heeft gezocht, Maar die op zijn grote rijkdom vertrouwde, En zich op zijn schatten beroemde!” |
14757 | PSA 53:2 | Voor muziekbegeleiding; op de fluit. Een leerdicht van David. De dwaas zegt bij zichzelf: “Er is geen God!” Slecht en schandelijk is zijn gedrag; Er is niemand, die het goede wil doen. |
14833 | PSA 58:12 | “Toch heeft het zijn nut, rechtvaardig te zijn; Toch is er een God, die recht doet op aarde!” |
14841 | PSA 59:8 | Zie, ze kwijlen smaad uit hun mond, En het ligt op hun lippen: “Wie wil er wat horen!” |
15029 | PSA 70:4 | En verstarren van schaamte, Die tot mij roepen: “Ha, ha!” |
15030 | PSA 70:5 | Maar in U mogen jubelen, Al die U zoeken; Zonder ophouden zeggen: “God is groot!” Die verlangend zijn naar uw heil. |
15042 | PSA 71:11 | Ze zeggen: “God heeft hem verlaten; vervolgt en grijpt hem; Want er is niemand, die hem kan redden!” |
15111 | PSA 74:8 | Ze zeiden: “Wij zullen alles verwoesten, Alle godshuizen verbranden door ‘t hele land!” |
15306 | PSA 83:5 | “Komt, laat ons ze uitroeien uit de rij van de volken, Zodat men zelfs Israëls naam niet meer noemt!” |
15369 | PSA 87:5 | Ja, van Sion zal men eens zeggen: “Man voor man is daar geboren!” En de Allerhoogste zal het bevestigen, |
15370 | PSA 87:6 | Jahweh het schrijven In het boek van de volkeren: “Hier zijn ze geboren!” |
15371 | PSA 87:7 | Dan zullen ze allen in reidans zingen: “In U is mijn woning!” |
15462 | PSA 91:2 | Mag zeggen tot Jahweh: “Mijn toevlucht en sterkte, Mijn God, op wien ik vertrouw!” |
15541 | PSA 96:10 | Roept het onder de volkeren uit, “Jahweh is Koning! Hij houdt de weegschaal der wereld, zodat ze niet schommelt, En de volkeren richt Hij naar recht!” |
15688 | PSA 105:15 | “Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!” |
15855 | PSA 110:1 | Een psalm van David. Jahweh spreekt tot mijn Heer: “Zet U aan mijn rechterhand, Totdat Ik uw vijanden leg als een voetbank voor uw voeten!” |
15858 | PSA 110:4 | Jahweh heeft gezworen, en het zal Hem nimmer berouwen: “Gij zijt Priester voor eeuwig, zoals Melkisédek was!” |
15865 | PSA 111:4 | Door zijn wonderen heeft Hij het in de herinnering gegrift: “Genadig en barmhartig is Jahweh!” |
15920 | PSA 116:4 | Ik riep de Naam van Jahweh aan: “Ach, Jahweh, spaar toch mijn leven!” |
15926 | PSA 116:10 | Ik blijf dus vertrouwen, al roep ik ook uit: “Ik ben diep ongelukkig!” |
15927 | PSA 116:11 | Al zou ik in mijn ellende ook zeggen: “Er is geen mens te vertrouwen!” |
16158 | PSA 122:1 | Een bedevaartslied. Wat was ik verheugd, toen men zeide: “Wij trekken op naar Jahweh’s huis!” |
16185 | PSA 126:2 | Toen werd onze mond met lachen gevuld, Onze tong met gejubel. Toen zei men onder de volken: “Jahweh heeft hun grote dingen gedaan!” |
16208 | PSA 129:8 | En niemand zal in het voorbijgaan zeggen: “De zegen van Jahweh over u; Wij zegenen u in Jahweh’s Naam!” |
16237 | PSA 132:18 | Zijn vijanden zal Ik met schande bedekken, Mijn kroon zal schitteren op zijn hoofd!” |
16293 | PSA 137:3 | Ja, daar durfden onze rovers Ons nog liederen vragen; En onze beulen: “Zingt ons vrolijke wijsjes Uit de zangen van Sion!” |
16399 | PSA 145:9 | Goedertieren is Jahweh voor allen, Zijn barmhartigheid strekt zich over al zijn schepselen uit!” |
17149 | PRO 23:35 | “Ze hebben me geslagen, en ik voelde het niet, Ze hebben me gebeukt, en ik merkte het niet! Wanneer ben ik weer wakker? Dan ga ik er nog eens op uit!” |
17224 | PRO 26:13 | De luiaard zegt: “Er loopt een wild beest op de weg, Er is een leeuw in de straten!” |